Beeldende vakken VWO / havo / vmbo 2018

VMBO 2018 heeft als thema: De Stad. woensdag 23 mei 2018 09:00-11:00

beeldende_vorming_vmbo_2_1_versie_2018 kunst_

Zie ook thema de Stad in 2008 [weliswaar voor havo maar geeft invalshoeken en aanknopingspunten]

————————————————————————————————–

HAVO 2018: Zo verleidelijk! woensdag 23 mei 9.00 – 12.00 uur

Over kunst en kunstenaars op de grens van kunst en kitsch. Hoe weet kunst te verleiden, te imponeren en de aandacht te trekken? Wat is de invloed van ambachtelijk vakmanschap en techniek op de zeggingskracht en kwaliteit van kunst?

havo_2_versie_2018 kunst_

  • De cultuur van het moderne in de eerste helft van de negentiende eeuw. Massacultuur in de tweede helft van de twintigste eeuw.
  • 2018:  ‘Cultuur van Romantiek en Realisme in de 19e eeuw’. De cultuur van de kerk in de elfde tot en met de veertiende eeuw.
  • beeldende_vakken_havo_1_versie_2018

VWO : Thema  2017 en 2018 Voorbeeldig: maandag 28 mei 9.00 – 12.00 uur

Zie ook bericht elders op blog.

In vogelvlucht:

  • het beeld staat centraal;
  • in het heden ligt het vertrekpunt als betekenisgevend interpretatiekader;
  • de inzet van kunsthistorische kennis om oude en nieuwe beelden te (her)interpreteren en in context met elkaar te vergelijken. Een beroep op kennis over kunstwerken en inzicht in kunstwerken als ook het vergelijken van kunst en cultuur uit verschillende tijdperken.
  • een groter beroep op de kritisch reflectieve vaardigheden.

1750-1900:  herleving van de klassieken, aandacht voor het eigen nationale verleden, vlucht in het exotische, de eigen geschiedenis, de mystiek en de natuur; verhevigd gevoel, heroïek van het alledaagse, de harde werkelijkheid.

  • Kunst en wereldbeeld: – rationalisme, verlichting tegenover het loslaten van de ratio,- vooruitgangsdenken, socialisme, – visies op geschiedenis: een voortgaand lineair proces met verschillende uitkomsten, –  Darwinisme (evolutie).
  • Visies op kunst:- kunst moet het goede, het ware en het schone tonen, kunst moet verheffen,
    – schoonheid is relatief (afhankelijk van tijd en plaats); neostijlen; eclecticisme, – kunst moet authentiek en origineel zijn, – kunst moet van zijn tijd zijn, – l’art pour l’art; de bohémien (=vrijbuiter), – Gesamtkunstwerk.
  • Kunstenaar en opdrachtgever, politieke en economische macht: – opleiding: de rol van de académie; op zoek naar eigen leermeesters (historische voorbeelden of ‘de natuur zelf’),
    – opdrachtgevers: de vrije markt, de staat koopt kunst, – organisatie van de samenleving: nationaal bewustzijn; naties – staat – burgers > streven naar vrije wereldhandel, concurrentie, – verzamelingen: systematiseren van collecties naar soort en tijd / plaats. Verzamelingen ook gekoppeld aan prestige van een staat.
  • Intercultureel: – oriëntalisme en exotisme, – effecten van kolonialisme en wereldtentoonstellingen.
    Wetenschap en techniek: – het ontstaan van de historische belangstelling; het ontstaan van de kunstgeschiedenis; het ontstaan van musea, – industriële revolutie, – evolutietheorie, – fotografie, – nieuwe materialen als gietijzer, de toepassing van de combinatie gietijzer en glas.

1900-1945: abstractie, de historische avant-garde, theorieën van kunstenaars en manifesten, utopieën over een nieuwe maatschappij, functionalisme, form follows function

  • Kunst en wereldbeeld:- het nastreven van idealen (utopieën), het geloof in vooruitgang en maakbaarheid van de samenleving.
  • Visies op kunst: – kunst als expressie,- op zoek naar het universele; neoplatonisme,- van visueel waarneembaar naar geestelijk,- functionalisme, verwerpen van decoratie,- definiëren van grondslagen van elke kunstdiscipline.
  • Kunstenaar en opdrachtgever, politieke en economische macht:- vrije markt: verzamelaars, kunsthandel,- kunstenaars in dienst van de Russische Revolutie, maatschappelijke bewegingen, de staat,- utopisch verlangen vanuit politiek- maatschappelijke situatie (industrialisering en oorlog),- utopisch kunstenaarschap en de economische positie van de kunstenaar.
  • Intercultureel:- primitivisme.
  • Wetenschap en techniek:- kunst als laboratorium: experiment, Bauhaus,- nieuwe industriële materialen en technieken: (beton)skeletbouw, standaardisatie en prefabricatie,- fotografie en film,– wetenschappelijke ontdekkingen: psychoanalyse en relativiteitstheorie.

en 1945; heden: de Verenigde Staten in de voorhoede , modern en postmodern,  vervagen van grenzen (disciplines, hoge-lage cultuur, kunst en werkelijkheid) , Globalisering, het Westen als centrum verdwijnt, hybriditeit (elementen uit verschillende culturen, stijlen of bronnen),  engagement, nieuwe media

  • Kunst en wereldbeeld: – relativeren en radicaliseren, Visies op kunst: – de moderne visie: onderzoek naar de grondslagen van de eigen discipline, – de kunstenaar voert het werk niet alléén uit, de rol van de omgeving (performance en community-art), – de postmoderne visie, loslaten van oude esthetische waarden (authenticiteit, originaliteit en uniciteit). Loslaten van het idee van de vooruitgang. Loslaten van het idee van één waarheid, – verleggen van de grenzen van de kunst, het vervagen van grenzen tussen de kunstdisciplines.
  • Kunstenaar en opdrachtgever, politieke en economische macht: – vrije markt, overheid, de verzamelaar, – invloed van de handel (kunstbeurzen en veilingen), overheid (subsidies, aankoopbeleid musea en internationale evenementen (Biennales en Documenta), – de kunstenaar als ondernemer, manager en entertainer, – begin en einde van de koude oorlog; globalisering; massamedia en massaconsumptie.
  • Intercultureel: – invloed van de niet-westerse kunst op de westerse kunst, – een mix van verschillende culturele invloeden in het kunstwerk,  – het op eenzelfde podium acteren van westerse en niet-westerse kunstenaar (de toetreding van de niet-westerse kunstenaar tot de westerse kunstwereld), – rol van identiteit in een geglobaliseerde wereld.
  • Wetenschap en techniek: – reproductie, digitalisering, – audiovisuele media.

 

 

Kunst op straat Brabant