David V- vorm & materiaal

David Vandekop: “Ik bedenk niet van tevoren geheel de vorm. Dat vind ik te dogmatisch en ik ben tegen dogma’s in de kunst”.
Oogtastvorm zo noemt hij het in zijn dagboeken, zijn werkwijze. Waarnemen, rangschikken, verbeelden. Hij werkt vanuit zijn zintuigen.

  • David Vandekop kiest voor een kunstwerk opgetrokken uit een gepolijst granieten ondergrond, waarop een geglazuurd beeld wordt geplaatst. Meerledig. Samengestelde gestapelde bouwsels. Repeterende elementen. Het hele werk is opgebouwd uit drie delen. Kent bovendien een sterke driehoek, piramide, granaatvorm. Als een vlasopper op het veld in het Zeeuwse land. Het is van keramiek. Het beeld is bevattelijk, je ziet hoe het is gemaakt en met hoeveel inspanning eraan is gewerkt. Het handwerk spat ervan af.
  • Je verwacht het misschien niet, maar het is een zeer sterk materiaal. Hij vervaardigt het door grote stukken klei als kralen aan betondraad te rijgen. De ruimten ertussen vult hij op met beton. De buitenste laag van het werk is hard en vandalisme bestendig. Graffiti is redelijk goed te verwijderen. Ook is glazuur kleurbestendig.
  • 4Het glazuur is in een geschubde structuur aangebracht. De ondergrond schemert er doorheen. In één beeld gevangen: doffe binnenkant, glanzende buitenkant. Het is overwegend blauw, omdat hij contrast wil met de omgeving en omdat het zonlicht erop een fraaie lichtwerking heeft. De grote blauwe cirkel geeft de zonnestralen door aan de omgeving. De hoogglansvlakken in schilderachtige kleuren en de exotische overdaad van de keramische vormen, gaan een eigen leven leiden. Door het glazuur glijdt het oog van vorm en oppervlak en wordt de ogenschijnlijke zwaarte teniet gedaan. Zoals ook bij Brancusi die zijn zeer gestileerde vogels eindeloos polijst tot spiegelende oppervlakten. De transparantie zwakt dit effect weer af.
  • Vandekop vraagt een wal te verplaatsen, één boom te rooien en twee bomen te verplaatsen. Hierdoor ontstaat en behoudt hij een duidelijke bomenrij en creëert hij een meer besloten en rustige omgeving. Het geheel gaat in haar vorm een samenwerking aan met de deels strakke én ronde vormen van de gebouwen in de omgeving. Als kunstwerk sterk fysiek aanwezig op een samenkomen van wegen. Carl Andre noemt zoiets een ‘plaats’ : een gebied binnen een omgeving dat zo wordt veranderd dat het de gehele omgeving meer doet opvallen. Bij Vandekop niet uit ‘formele overwegingen’, maar uit intuïtieve vertaling van vluchtheuvels en hooihoppers. De beschouwer kan er te voet en met de auto aan alle kanten omheen. De combinatie van de vrije vorm, het ambachtelijke materiaal en de frisse kleuren maken het werk sterk driedimensionaal. Hij houdt bewust rekening met de ruimtelijke beleving. Het oog van de toeschouwer.
  • De vorm is in beweging. Rauwe, bijna Barokke vormen. De spanning vertaalt in een compositie naar één richting, omhoog. Opgebouwd uit convexe en concave lijnen leunen de panters tegen elkaar en oefenen druk uit. Iets dat in veel van zijn werk zit. Alle zijden komen bij elkaar in de ronde schijf. Zou deze er niet zijn, dan valt de vorm zó uit elkaar! Een suggestie dat verankering en verstoring zo dicht bij elkaar liggen. Dragen en rusten. Het sluitstuk vangt de omgeving in haar geglazuurde vlak.
  • Het beeld is monumentaal, maar laat tussen de keramieke elementen veel ruimte toe. De kopse kanten vlak gemaakt, wat refereert aan de gecultiveerde omgeving. Het oppervlakte doet ruw aan, wat refereert aan de natuurlijke omgeving, de begroeiing van de heuvel.
  • Zijn werken zijn vaak opgebouwd uit de kleuren geel (zand, zon), blauw (water, vogel), wit (lucht). De grootsheid van het nooit eindigende ritme van dag en nacht en de jaargetijden. Dagelijks observeert hij als Zeeuw de zee, is een enthousiast zwemmer en duiker. Hij ervaart de natuur lijfelijk. Het zijn vooral de grenzen, de scheidslijnen die hem boeien. De verhouding lucht en water. Hij zegt: “Dat is wat je doet: je condenseert je visuele waarnemingen”.
  • Via het tekenen komt hij tot zijn beelden. Het is dan ook bijna een schetsmatig beeld, wat de verbeeldingskracht prikkelt. Zijn waarnemingen legt hij eerst vast dagboeken (24 stuks van 200 pagina’s!), vervolgens in aquarel- of krijttekeningen en collages. Die gaan eraan vooraf en zijn tegelijkertijd autonoom. Hij tekent liever dan een foto te maken. Het geeft hem meer voeling met de situatie.

De warmte van zijn hand, de kleur van zijn waarneming en de beslissing van zijn intuïtie tussen mythologie en het licht-van-alledag”, zo besluit Hein van Haaren.

 

11

 

Kunst op straat Brabant