Wim G. – vorm & materiaal

Dit werk van Wim Geeven is opgebouwd uit pastel blauwe staalplaten. Een monochroom werk, dat wil zeggen: één kleur. Het werk is sterk geabstraheerd, wat doet denken aan de vormreducties die ook kenmerkend zijn van bijvoorbeeld Picasso en Gonzalez.

Wat valt er zoal over de vorm te zeggen?

  • wimDe compositie van dit kunstwerk is centraal opgebouwd. De kroon vormt een duidelijk aandachtcentrum. Het weerspiegelt zich in een vergrootte vorm op de grond. De ribben leiden er als het ware via bogen naar toe. De bogen vormen met elkaar en de grondlijn een driehoek. Dit geeft stabiliteit, een zekere symmetrie en tectonisch karakter. Een kader. Kijk eens goed: deze driehoek is tegengesteld aan het driehoekige deel grenzend aan de rotonde. Waar het plein kort is, is het beeld breed. En andersom. Tegengesteld / tegenovergesteld: dit geeft het werk enige beweging. De driepoot accentueert de infrastructuur en vorm van het pleintje. De splitsing van wegen.
  • Het kunstobject heeft een monumentale hoogte, al heeft het op het oog niet de zwaarte daarvan. Door zijn open karakter en de dikte van het plaatwerk – slecht 4/5 mm dik – heeft het een zekere gewichtsloosheid. Het werk weegt best wel wat, maar het oogt zeker niet massief. Het werk drukt een duidelijk stempel op de omgeving, is aanwezig, op een ingetogen manier.
  • Het beeld is bol, convex, wat meestal een gesloten vorm oplevert. Hier niet. Het neemt de ruimte niet in. Sterker nog, het object biedt de beschouwer niet alleen de mogelijkheid om óm het werk te lopen, maar ook er dwars doorheen!
  • Als contour is het beeld bol, de ribben tonen een kracht van binnenuit (expansie). Het beeld is echter hol en laat makkelijk ruimte toe. Het is daarom misschien eerder volumineus te noemen. Het omvat veel lucht! Daardoor krijgt het een sterk ruimtelijke opzet. Door het open karakter van dit werk, speelt de ruimte eromheen de dominante rol. De beeldende kwaliteit berust op de ruimte zelf. De ruimte creëert het beeld, terwijl de materie deel wordt van de omliggende ruimte. Bijna materieloos oogt het beeld, een optische illusie. In die zin compenseert dit ook de hoogte van het werk.
  • Het werk staat met zijn verankering van de drie ribben stevig vast direct op de grond. Met spinachtige gelede poten. Geen zware grondplaten, wat ook weer bijdraagt aan een zekere fragiliteit.
  • Aan de bovenkant vinden de ribben elkaar in een soort van gestileerde dop of grote moer. Opgebouwd uit vijf piloonachtige inkepingen, wat je beter ziet op de schetstekening. Dit element is waarschijnlijk ook schuldig aan de naam ‘De Grijper’ en vanwege het kroontjesachtige voor de naam ‘De Appel’. Dit geeft structuur aan het beeld, want het houdt de onderdelen mooi samen. Het werk is tectonisch, statig en samengebonden; al kent het door de bogen van de ribben ook dynamiek.
  • Ieder onderdeel op zich zegt weinig over het beeld. Het is juist de binding die er een totaal van maakt. Het beeld is – hoe raar dat misschien is om van dit ruimtelijk werk te zeggen – lineair. Je kunst het als het ware zo uitknippen als een plaatje met een stippellijntje.
  • De wijze van werken laat sporen na in het werk. Het werk is glad afgewerkt, maar de moeren waarmee de platen in vorm zijn gezet, zijn duidelijk zichtbaar. Voegen waarde toe aan het werk, maken de textuur duidelijk. Je kunt zien hoe het werk in elkaar steekt. De randen zijn strak en glad. Op afstand lijken de onderdelen gestanst.
  • De outline van het werk is een constante. Waar je ook staat, het werk zelf komt min of meer op gelijke wijze op je over. Anderzijds is het bij ieder stap anders! Want het beeld zelf is niet leeg. De ruimte laat de omgeving, het grasveld, de bomen, het verkeer én de voorbijgangers zien.
Kunst op straat Brabant